Are you real? Live kunst in musea

In de Londense Hayward Gallery heb ik een keer een bezoeker achtervolgd zien worden door een man in een streepjespyjama. Met een uitdrukkingsloos gezicht bleef hij steeds precies een halve meter achter haar aan lopen, zwijgend. Aanvankelijk probeerde de dame van middelbare leeftijd, zichtbaar opgelaten, hem beleefd te negeren. Pas na een kwartier achtervolgd te zijn door de museumzalen lukte het haar eindelijk om de performer af te schudden door een lift in te rennen.

Live kunst zet de verhouding tussen toeschouwer en kunstwerk op scherp. De heersende conventies in een museum zijn plotseling niet meer geldig: naar een schilderij kan je ongegeneerd staren, bij een mens wordt het al snel ongemakkelijk. De laatste tijd kom je steeds vaker dans, performance, zang of andere vormen van live kunst tegen in kunstmusea. Waarom eigenlijk?

Levende kunstwerken

Dit jaar werk ik achter de schermen aan de tentoonstelling A Year at the Stedelijk: Tino Sehgal.  Iedere maand installeren we een ander live kunstwerk in één van de museumzalen. Sehgal is een beeldend kunstenaar met een achtergrond in dans. Zijn kunst is volledig immaterieel: het bestaat uit beweging, ontmoetingen, discussies of andere situaties die van openingstijd tot sluitingstijd in de zaal te zien zijn. Wie het museum bezoekt kan ineens een operazangeres tegen het lijf lopen, of een beveiliger die een striptease-act opvoert.

De verwachtingspatronen van museumbezoekers worden doorbroken: meestal pakt dat positief uit, een enkele keer negatief. Ook achter de schermen wringt het soms. In een museum is men meer gewend om met objecten te werken. Omgevingsfactoren zoals licht en luchtvochtigheid worden er strikt gereguleerd, zodat bijvoorbeeld een schilderij van Mondriaan zo goed mogelijk geconserveerd blijft voor de generaties na ons. Maar live kunst is per definitie vluchtig en instabiel. En soms clasht het: een danser die door de museumzalen rondspringt kan een veiligheidsrisico zijn voor kwetsbare schilderijen.

Performance als anti-stroming

We vinden levende kunst nog steeds een beetje vreemd. Best raar eigenlijk, want live elementen zijn al lange tijd een belangrijk onderdeel van beeldende kunst. Mels Evers, curator bij de Liverpool Biennial en gespecialiseerd in performance, legt uit: ‘De Dadaïsten en de Surrealisten gebruikten in de jaren ’20 al performatieve elementen in hun kunst. Vanaf de jaren ’60 kreeg je kunstenaars zoals Marina Abramović, die zich volledig op performance richtten en daarmee in musea belandden. Maar het bleef een anti-stroming. In de jaren ’80 gingen musea meer open staan voor institutionele kritiek. Vanaf dat moment zie je dat performance meer gepresenteerd wordt in internationale instellingen’. Toch is het nog steeds niet vanzelfsprekend dat een performance dezelfde status heeft als een schilderij. Live onderdelen worden meestal beperkt tot evenementen zoals het publieksprogramma of de opening. In tentoonstellingen zelf belanden registraties of objecten die na de performance overblijven.

Volwaardige rol voor live kunst

Langzaam maar zeker krijgen performances een volwaardige rol binnen musea. Mels: ‘Live kunst sluit goed aan op de huidige maatschappij: het biedt de mensen interactie, spektakel, een persoonlijk en sociaal element. Bij een museum als het MoMA is er een team van 20 man dat zich bezighoudt met media- en performancekunst. Het nieuwe Whitney Museum heeft een speciaal theater voor live kunst’.

Museumarchitectuur is een barometer voor de vanzelfsprekendheid van live kunst. In het Stedelijk, dat in 2012 heropende, is er nauwelijks rekening mee gehouden. Er zijn geen kleedkamers of backstage ruimtes. Maar in het Tate Modern wordt momenteel gebouwd aan ‘The Tanks’: ruimtes speciaal voor live kunst, inclusief de bijbehorende faciliteiten. De ontwikkeling doet denken aan de jaren ’60, toen er ineens stopcontacten moesten worden aangelegd in museumzalen. Bij traditionele schilderijen waren die nooit nodig geweest, maar nu kon kunst ineens ook een stekker hebben.

Interactie met het publiek

Voor dansers is het heel interessant om te werken binnen zo’n niet voor de hand liggende institutionele context. ‘Dansen in het museum is geweldig. Het is een ervaring die tegelijkertijd nederig en krachtig maakt’. Matthew Pawlicki-Sinclair is als danser bij Het Nationale Ballet gewend om op een groot podium te staan, maar danst met zijn interdisciplinaire productiehuis House of Makers ook op andere plekken. Afgelopen zomer trad hij op in Museum Boijmans Van Beuningen, als onderdeel van de tentoonstelling La La La Human Steps. ‘Het grootste verschil is de interactie met het publiek. Bij het ballet dans je voor een publiek van 1600 man. Je voelt hun aanwezigheid, maar je ziet de mensen niet. In het museum valt die strikte scheidingslijn weg. De relatie met de toeschouwer is veel directer: je deelt het moment echt met een individu. Als ik een stap dichterbij zet, neemt de ander een stap terug. Je bent allebei uit je comfort zone. Dat kan het ongemakkelijk maken, maar ook heel interessant’.

Sommige museumbezoekers weten zich echt geen houding te geven. Matthew: ‘Er waren mensen die me volledig negeerden: alsof ze dwars door me heen keken, terwijl ik aan het dansen was. Bizar.’

Are you real?

Hanna van der Meer, een hedendaagse danser en maker die eerder dit jaar het werk Instead of allowing some thing to rise up to your face dancing bruce and dan and other things van Tino Sehgal uitvoerde in het Stedelijk Museum, kan erover meepraten. Instead of allowing is een trage, vloeiende beweging zonder begin of eind die wordt uitgevoerd op de vloer van een lege museumzaal. Hanna: ‘De reacties van de mensen waren heel bijzonder. Sommige mensen negeerden het, anderen dachten dat ik onwel was geworden en waarschuwden de beveiliging’.

“Een danser op de grond is raar, het strookt niet met het verwachtingspatroon van museumbezoekers.”

Tijdens het urenlange dansen had Hanna de kans om het gedrag van het publiek zorgvuldig te observeren. ‘Veel mensen bleven wat langer kijken, maar sommigen hadden binnen enkele seconden hun oordeel klaar. Een danser op de grond is raar, het strookt niet met het verwachtingspatroon van museumbezoekers. “Is dít nou kunst?” zeiden ze dan. Andere mensen pakten direct hun camera, maakten een foto en liepen snel weer weg. Dat snap ik niet: dan heb je een foto, maar je hebt de ervaring van het kunstwerk in feite helemaal gemist. Het zette me wel aan het denken over de tijd waarin we leven’.

Het ontbreken van afgebakende grenzen zorgt voor bijzondere reacties. Hanna: ‘Soms kwamen er bezoekers naast me liggen om mee te bewegen. De mooiste reactie kwam van een wat oudere man. Hij stond van een afstandje te kijken en deed na een paar minuten een stap naar voren. “Are you real?” vroeg hij na een tijdje. Hij kwam nog wat dichterbij, bleef gebiologeerd kijken, vroeg het nogmaals: “Are you real?” Ik moest m’n best doen om niet te lachen. Hij probeerde het nog één keer: “Are you a sculpture?”’

Er was ook een vrouw die heel vaak kwam kijken en soms wel uren bleef zitten. Wanneer ze wegging en er was niemand anders in de zaal, fluisterde ze: ‘Dankjewel’.

Live kunst kan veel impact hebben, juist op zo’n onverwachte plek. Het is een welkome afwisseling binnen musea. De grenzen vervagen: dansers en andere performers zoeken het museum op, voor beeldend kunstenaars worden live elementen steeds belangrijker. Mels: ‘Je moet kunst nooit alleen vanwege het medium in een tentoonstelling opnemen, maar je moet het ook niet vanwege het medium buitensluiten. Als een dans of een voordracht mooi en logisch is, waarom niet?’