Horen doe je met je ogen

Als je een opera bezoekt, kan er veel op je af komen. Het verhaal wordt je voorgelegd in zang, muziek, decor, regie, beweging, lichtontwerp en soms meerdere media. Er wordt een wereld gecreëerd en alles wat je ervaart, stuurt je ervaring van de opera, opent nieuwe mogelijkheden om hem te interpreteren. Denk alleen al aan de kleur die gebruikt wordt voor de set, denk aan de style van de kostuums. Alles heeft connotaties, roept associaties op, bewust en onbewust. En alles wat je ziet en ervaart, vertegenwoordigt een keus. Over ieder detail is nagedacht en een beslissing genomen – en wel door de regisseur.

De internationaal actieve operaregisseur Monique Wagemakers vertelt over 8 opera’s die ze regisseerde en de achterliggende gedachten bij de keuzes die ze maakte.

Monique: ‘Binnen de regels en grenzen van het theatermaken zoek je naar een vorm waarin de muziek de ruimte krijgt. Wat je hoort wordt enorm beïnvloed door wat je ziet: door je ogen hoor je. Muziek heeft de ruimte nodig. De productie Dialogues des Carmélites, die onlangs bij De Nationale Opera te zien was, is een prachtig voorbeeld. Door het minimalistische concept van deze productie is die ruimte letterlijk voelbaar en daardoor ook beter hoorbaar. Zo’n “zien- èn hoorervaring”, verrijkt je en brengt je in contact met je diepste gevoelens.’

‘Bovenaan deze pagina zie je een scène uit mijn enscenering van Carmen, van Georges Bizet. Deze productie laat een oord zien waar vluchtenlingen worden bewaakt; een vluchtelingenkamp. Carmen is met haar zigeunerbloed altijd op doortocht en op de vlucht. De zin ‘Chacun passe, chacun vient, chacun va…’  zingt het koor direct bij aanvang van de opera. Carmen is een vrije geest, niemand mag haar bezitten, ook de dood niet.

Rigoletto, Guiseppe Verdi, De Nationale Opera, 1997. Toneelbeeld: Michael Levine. Foto: Deen Vermeer.

‘Dit is het openingsbeeld van de productie Rigoletto; een broedplaats voor intriges en samenzweringen. We wilden de benauwdheid en jaloezie aan het hof voelbaar maken. Het decorbeeld van Michael Levine vangt in één keer de essentie van deze opera; een gekaderde ruimte waarin de hovelingen leven als in een blik sardientjes. Rigoletto, de hofnar, beweegt als een koorddanser over de verlichte rand. Het is een politiek spel van de macht tegen de machteloze. De opera onderzoekt hoe mensen met macht omgaan, maar vooral wat angst met een mens doet.  Angst maakt van Rigoletto een boosaardig en destructief mens. Uiteindelijk wordt hij, door die angst gedreven, een moordenaar.’

Un ballo in mascera, Guiseppe Verdi, Nederlandse Reisopera, 2010. Toneelbeeld: Dirk Becker. Foto: Hermann en Clärchen Baus.

‘We zochten naar een afgesloten wereld waar je letterlijk in elkaars adem leeft. We kwamen uit op een plantenkas, waar de atmosfeer broeierig is. In deze productie staat het persoonlijke drama van de drie hoofdfiguren, Amelia, Riccardo en Renato, centraal. Hun driehoeksverhouding is het uitgangspunt. De ‘maskerade’ ontstaat vanuit de personages zelf en er ontstaat een krachtmeting tussen hen; ze domineren en controleren elkaar of spelen juist het slachtoffer. De opera onderzoekt vragen als: hoe handel je in een extreme situatie? Wie is de leider, wie is volgzaam? Ben je een held of juist niet? Door hun onmogelijke relatie tot elkaar en opgekropte gevoelens ontwikkelt het gemaskerde bal zich hier tot een dodendans; een dansmarathon, zoals je ziet in de filmThey Shoot Horses, Don’t They? Dit beeld van de productie, met de mensen op de grond, laat het moment zien na deze uitputtingsslag.’

Lucia di Lammermoor, Gaetano Donizetti, De Nationale Opera, 2007. Toneelbeeld: Frank Philipp Schlößmann. Foto: Marco Borggreve.

‘Lucia is een dromerig meisje waarvoor het ‘alleen zijn’ belangrijk is. Ze trekt zich terug in haar serene kamer waar ze haar eigen fantasievolle wereld creëert, te midden van de donkere buitenwereld waarin macht en politiek gekonkel, angst en religie centraal staan. Ze is verliefd op Edgardo, maar wordt gedwongen met Bucklaw te trouwen om haar broer van de ondergang te redden. Op deze afbeelding zien we een acht meter lange bank die als een fallussymbool haar kamer is binnengedrongen. De zwarte buitenwereld breekt steeds meer haar wereld open, dringt steeds meer binnen en het decor verandert langzaam van een witte serene kamer naar een zwarte ruimte. Uiteindelijk wordt Lucia krankzinnig en vermoordt haar toegewezen echtgenoot tijdens hun huwelijksnacht.’

Madama Butterfly, Giacomo Puccini, Staatoper Stuttgart, 2006. Toneelbeeld: Karl Kneidl. Foto: A.T. Schaefer.

‘Dit toneelbeeld bestaat uit horizontaal gespannen plasticfolie waarin de scène gespiegeld wordt. De dood van Butterfly’s vader, die op gezag van de Keizer zelfmoord (Harakiri) heeft moeten plegen, betekende de ondergang van haar familie. Butterfly wil geen Geisha meer zijn. Ze is de vrouw van Pinkerton; een Amerikaanse officier. Ze heeft afstand genomen van haar familie, haar cultuur en haar religie. Butterfly gelooft in een toekomst in Amerika. Als ze Pinkertons schip na lang wachten in de haven ziet, weet ze dat Pinkerton haar komt halen. Voor Butterfly mag Japan kaal geplukt worden, de bloemen in haar tuin heeft ze niet meer nodig, ze zal geen tranen meer hoeven plengen. Ze gaat weg en Japan mag zo dor worden als in de winter. Op het beeld zie je hoe ze afscheid neemt door zich onder de bloemen te begraven. Op dit moment is er geen weg meer terug,ze heeft haar verleden achter zich gelaten.Als echter de toekomst ook een illusie blijkt, biedt enkel de dood nog uitkomst.’

 

Lulu, Alban Berg, Opernhaus Augsburg, 2011. Toneelbeeld: Momme Röhrbein. Foto: A.T. Schaefer.

 ‘Het toneelbeeld is een labyrint met draaideuren en doorzichtige wanden. Een metafoor voor Lulu, het hoofdpersonage; zij is het labyrint van vrouwelijkheid waarin mannen zich verliezen. Zij is het product van de collectieve mannelijke fantasie. Wat we weten over haar is dát wat anderen in haar zien. Ze geven haar namen als Eva, Nelly, Mignon …Zij is slechts de katalysator waardoor de diepste gevoelens van haar minnaars naar boven worden gebracht. Zij confronteert hen met hun heftigste angsten. Haar aanbidders gaan niet ten gronde aan Lulu, maar aan zichzelf. Zij zijn verslaafd aan haar, terwijl Lulu geen enkele betrokkenheid bij hen voelt. Ze heeft geen schaamte; geen schuldgevoel. Ze wisselt van identiteit zoals een slang zijn huid aflegt. Ze zegt: “Ik wou dat ik een man was … mijn man”. Ze heeft genoeg aan zichzelf. Deze opera speelt zich af in een wereld met neurotische, doorgedraaide mensen die elkaar manipuleren en kapotmaken.’

 

Tristan und Isolde, Richard Wagner, Staatstheater Nürnberg, 2012. Toneelbeeld: Dirk Becker. Foto: Ludwig Olah.

‘Water is het symbool voor leven. Water verbeeldt in deze opera de innerlijke reis die Tristan en Isolde doormaken. De inspiratie voor dit toneelbeeld vonden we in de reflectie van een druppel water waarin de wereld zich weerspiegelt. Dit psychologische drama vertelt over de zielsverwantschap tussen deze twee mensen. Zowel Tristan als Isolde leggen een weg af naar bewustwording; een zoektocht naar identiteit. In de verhaallijn speelt het reizen over het water een belangrijke rol. Isolde wordt door Tristan over het water naar Engeland gebracht. Tristan maakt later gewond een tocht over het water naar zijn geboortegrond in Bretagne. Na veel lijden wordt hij zich bewust van zijn afkomst en zichzelf en realiseert zich; het geluk zit in onszelf. ‘Selbst dann bin ich die Welt’. Isolde is hem achterna gereisd van Engeland naar Bretagne, maar komt te laat. Tristan sterft in haar armen. En met haar Liebestod transcendeert Isolde naar Tristans universum.’

 

Il matrimonio segreto, Domenico Cimarosa, De Nationale Opera, 2016. Toneelbeeld: Francesco Cocco (ontwerpschets).

‘Drie operahuizen maken voor het eerst een productie samen: De Nationale Opera, de Nederlandse Reisopera en Opera Zuid. Voor het ontwerp van de opera Il matrimonio segreto is een internationale wedstrijd uitgeschreven: The Dutch Opera Design Award. Jonge decor- en kostuumontwerpers konden hun ideeën inzenden. Het winnende ontwerp komt van een jong ambitieus en Italiaans team bestaande uit Francesco Cocco (decor) en Federica Miani (kostuums). Hun visie op deze opera sluit sterk aan bij mijn idee over Cimarosa’s werk. Alle personages zijn obsessief bezig met “het huwelijk”. De één voor geld, de ander voor status, een titel, of door angst voor het ouder worden. Het decor geeft deze obsessie erg goed vorm. Francesco Cocco gebruikt bijna duizend bruidskledingzakken om de ruimte vorm te geven. De herhaling van een alledaags gebruiksvoorwerp levert een sterk theatraal beeld op. Toch weet je niet precies waar het zich afspeelt of wat de ruimte verbeeldt. Er wordt iets verkocht, geëtaleerd, letterlijk aan de man gebracht. Geronimo verkoopt zijn dochters; status en geld zijn voor hem belangrijker dan gevoelens en liefde. De kostuums maken gebruik van de crinoline, het houten geraamte dat volume geeft onder een rok, tevens een knipoog naar de barokperiode van de 18e eeuw waarin Cimarosa deze opera schreef. De crinoline komt ook terug in het decor, en staat letterlijk voor “leegte”. Er wordt in de opera namelijk nogal betekenisloos omgesprongen met de huwelijksverbintenis.’