Nice to meet you: Olivia Rutazibwa

Tijdens OFF Day #2 spreekt politiek wetenschapper Olivia U. Rutazibwa over haar ‘dekoloniaal manifest’ Het einde van de witte wereld, dat later dit jaar in boekvorm verschijnt. In een interview licht zij de thema’s van haar keynote alvast toe.

U bent geboren in België uit Rwandese ouders, sinds 2013 woont u in het Verenigd Koninkrijk. De schrijfster Taiye Selasi zegt: ‘don’t ask me where I’m from, ask me where I’m local’. Welke plaats(en) noemt u thuis?

Antwerpen, Firenze, Portsmouth en Kigali. Ik ben opgegroeid in Antwerpen en heb daar het merendeel van mijn leven gewoond. Ik deed een Erasmusjaar in Firenze en later keerde ik er terug voor mijn doctoraat. In Italië woonde ik voor het eerst op mezelf, leerde de taal spreken en de cultuur waarderen. Ik ben nu vijf jaar verbonden aan de University of Portsmouth, dat is mijn langste job ooit. Kigali, de hoofdstad van Rwanda, heb ik vooral vanuit de diaspora leren kennen. Nu kom ik er met regelmaat vanwege mijn onderzoek naar internationale solidariteit. Kort gezegd, ik voel me het meest zelfverzekerd in het Westen omdat ik de sociale codes herken – Rwanda is de enige plek op aarde waar iedereen op mij lijkt.

Wat verstaat u onder dekoloniaal denken en handelen?

Dat is een grote vraag! Het is een analyse van extreme, systematische machtsongelijkheid en alle systemen die dat in stand houden, met het expliciete doel om dit tij te keren, met andere woorden tegen kolonialiteit. Bij kolonisatie denken we vaak aan het formeel inpalmen en besturen van andermans grondgebied, en dat plaatsen we ergens in het verleden. Maar kolonialiteit gaat dus om veel meer. Het is een snelweg aan ongelijke relaties die systematische vernieling mogelijk en vaak ook onzichtbaar maken. Er zijn drie pijlers van dat geweld die het iets concreter maken. Allereerst Genocide: de (re)productie van stelselmatig geweld tegen en vroegtijdige dood van bepaalde bevolkingsgroepen. Ten tweede Epistemicide: de vernietiging van hun denkkaders en kennis, wat resulteert in het ontmenselijken van deze bevolkingsgroepen. Ten derde Ecocide: de destructie van de leefomgeving, van land en biodiversiteit. Dat begint al bij zoiets simpels als het idee dat je land kunt bezitten, een manier van denken die veel volken volkomen vreemd was. Wie dekoloniaal handelt vraagt zich af: ten dienste van wat staat de kennis die ik produceer – is dat enkel ter reproductie van de koloniale status quo?

Door globalisering is er al lang geen sprake meer van een witte wereld, toch wordt de onderliggende norm nog steeds gereproduceerd. Wat is er voor nodig om dit te doorbreken?

Allereerst, het erkennen van de koloniale erfenis en het loslaten van ons aangeleerd westers superioriteitsdenken. Maar wat we in de kunsten vooral nodig hebben, is nieuwsgierigheid. Niet zoals in de zoo, maar oprechte interesse. Plus het bewustzijn dat je kennis eindig is en geen absolute waarheid, maar wel altijd een doel dient: de status quo bevestigen of uitdagen. Daarom dienen we de verhalen die we vertellen te verbreden. Vraag jezelf af: op welke manier zijn mijn ervaringen gelinkt aan die van anderen? Probeer deze met elkaar te verbinden, zonder die verhalen te stelen. We moeten stoppen met doen alsof alles van ons is. Dat is nog steeds de koloniale logica van extractie en exploitatie.

Waar ligt volgens u de grens tussen het vertellen van andere verhalen en culturele toe-eigening?

Wees niet bang voor het verwijt van toe-eigening! Kritiek is nooit fijn, maar zie het als een leerproces om te groeien als kunstenaar. Vertel niet het verhaal van de ander, maar met de ander. Stel de vraag: wie doet er mee aan je producties en bij wie doe jij mee? En onthoud: sommige verhalen zijn niet aan iedereen om te vertellen. Eigenlijk komt het hierop neer. Hoe zorg ik ervoor dat mijn kunst geen exploitatie is? Hoe slagen we erin om schoonheid te creëren die niet gebouwd is op andermans bloed? Dat is een complexe opgave, want hoe prachtig de voortbrengselen van de westerse kunstgeschiedenis ook zijn, niets daarvan is gecreëerd buiten het systeem van koloniale onderdrukking om.

Tijdens OFF werkt een nieuwe generatie operamakers aan korte voorstellingen rondom het centrale thema ‘identiteit en confrontatie – de angst voor het onbekende’. Hoe kunnen we het ongemak waarmee gesprekken over identiteit gepaard gaan productief maken?

Allereerst moeten we aanvaarden dat we niks kunnen doen zonder ongemak te voelen. Het is goed om te beseffen dat elke vorm van leren een potentiële bron van ongemak is, want als we iets leren, realiseren we ons ‘ah dit wist ik niet!’. Dat kunnen we zien als falen, maar het is zinvoller om ons beeld van leren bij te stellen en het te zien als een voortdurende conversatie met anderen.
Beginnende witte Nederlandse kunstenaars zou ik de vraag willen meegeven: hoe behoud je je openheid, maar toon je tegelijkertijd sensitiviteit voor de complexe problematiek rondom kolonialisme? Dekolonisatie gaat niet over individuele schuld. Niemand hoeft zich schuldig te voelen omdat hij toevallig wit is, maar je dient wel te beseffen dat jouw kunst niet tot stand komt in een (historisch) machtsvacuüm. En als je dit in je werk wilt agenderen: hoe kun je jezelf zien als bondgenoot in plaats van leidend voorwerp van de antiracistische strijd?
Voor zwarte kunstenaars is de vraag: hoe vind ik mijn plek in deze wereld? Hoe kan ik mij genereus opstellen als er zoveel van mij wordt gevraagd? En hoe stap ik niet in de valkuil van steeds maar weer te antwoorden aan de witte wereld?

In Nederland hebben de zes Rijkscultuurfondsen aangegeven dat inclusiviteit voortaan topprioriteit krijgt. Aan de ene kant valt dat toe te juichen, aan de andere kant zie je dat dit leidt tot de instrumentalisering van zwarte kunstenaars en een kapitalisering van niet-westers erfgoed – zonder dat de onderliggende normen en machtsverhoudingen veranderen. Wat is er voor nodig om deze cosmetische variant van inclusiviteit te ontstijgen?

Ja, dergelijke window-dressing noem ik wel de Bennetonoperatie. Maar we moeten voorbij de etalage, want als er niets verandert in de hoogste regionen van het management, telt het niet. Dan zal dezelfde logica worden gereproduceerd, verandert de inhoud nauwelijks en wordt alle (emotionele) last gedragen door de enkele minderheden die mogen ‘meedoen’. Pas als er diversiteit is onder de mensen die beslissingen nemen, zullen er andere verhalen worden gehoord. We moeten erop vertrouwen dat er een inhoudelijk voordeel is als je verschillende mensen bij je productie betrekt. Alles leidt toch weer terug naar de basis van oprechte nieuwsgierigheid.

Ik zie ook een generatiekloof: er is een jonge kosmopolitische generatie voor wie culturele diversiteit geen abstracte notie is, maar gewoon de dagelijkse realiteit. Maar de meeste instellingen worden nog steeds geleid door een oudere generatie witte gatekeepers. De babyboomers die in hun jonge jaren vol ongeduld de instituties bestormden, zijn nu vooral gericht op zelfbehoud. Wat moeten we doen zodat zij de macht overdragen? Bent u hoopvol over de toekomst?

Ha! Om te beginnen met die tweede vraag: er zijn dagen dat ik optimistisch ben en dagen dat ik pessimistisch ben. Het cyclische aspect van deze strijd kan soms deprimeren. Van de andere kant, vijftien jaar geleden verstond bijna niemand ons en nu wel.
Wat betreft die eerste vraag: we zitten in West-Europa nu eenmaal met een demografisch probleem: vergrijzing. Daarnaast moeten we werken aan ons idee van hiërarchie: een leider hoeft niet altijd mannelijk, wit en op leeftijd te zijn.
Ik begrijp best dat de vragen die wij stellen niet voor iedereen urgent zijn. Maar de regel zou moeten zijn: als je dat gevoel niet hebt, maak dan plaats. Tegelijkertijd zie ik directeuren van instellingen die oprecht hun best doen om nieuwe kennis op te doen. Maar er is een limiet aan hoeveel macht zij kunnen afstaan als ze op post blijven. Om wezenlijke veranderingen door te voeren, hebben we een wissel van de wacht en een wissel van de macht nodig.